Het Waardig Ambt van Predikant

Het waardig ambt van dominee
valt ongetwijfeld lang niet mee.
Wat dominee ook zegt of doet,
hoe hij ook preekt, het is zelden goed.

Neemt hij A voortdurend in,
B doet hij het vaak niet naar de zin.
Is hij wat levendig van aard
dan wordt hij voor nerveus verklaard.

Doch is hij rustig, nimmer boos,
dan heet het: hij is levenloos!
Indien zijn haar is peperzout
dan vindt men dominee te oud.

Is hij een jong, dus jeugdig man,
ervaring ontbreekt hem dan.
Werpt hij het oude iets omver
dan is hij revolutionair!

Doch heeft hij meer het oude lief
dan mist hij initiatief!
Hij preekt vervelend wanneer bleek
dat van een schets hij hield een preek.

Preekt hij uit het hoofd als hij dat kan,
dan is hij een oppervlakkig man.
Maakt hij bij preken veel gebaar,
dan is hij een acteur zowaar.

Doch houdt hij zijn armen strak aan het lijf
dan is hij houterig en stijf.
Hij schreeuwt, zegt men, sprak hij wat luid.
Is het zacht, het komt er wel wat eentonig uit.

Is hij veel thuis, werkt aan zijn preek,
hij geeft om huisbezoek geen steek!
Doch gaat hij dikwijls op bezoek,
als drijver staat hij dan te boek.

Bezoekt hij veel de arme man
een socialist noemt men hem dan.
Wendt hij tot de rijke zijn schree,
hij is een geldzak-dominee!

Men merkt dus wel, het valt lang niet mee
dat wondere ambt van dominee!
Daarom ... heil die predikant,
die, het klinkt wat vreemd in dit verband,
heel dit heksenwerk verricht
met een opgewekt gezicht!






Dichter onbekend.

Bron: Protestantse Kerkbode, dd. ???