Overweging 10 september 2017

Zondag 10 september 2017 overweging
Jesaja 33, 2-10; Galaten 3, 16-24; Lucas 10, 23-37

1.
De parabel van de barmhartige Samaritaan is waarschijnlijk de populairste gelijkenis van Jezus.
Niet voor niets stond hij in de Top Tien van de Mooiste Bijbelverhalen.
Ook componisten, schrijvers en beeldend kunstenaars hebben zich ermee beziggehouden.
Op de omslag zien we een detail van een beeldhouwwerk van de Nederlandse kunstenaar Piet Esser(1914-2004).
Hij heeft de gelijkenis samengebald tot dit ene moment, waarop de een de ander draagt.
Geen priester. Geen leviet. Geen rijdier.
Alleen die twee.
Niets dat ons van hen afleidt.
De een en de ander – ze zijn elkaar, voor even, heel nabij.
Een bijna pijnlijk intiem moment.
Dragen en gedragen worden.
Het lijden weegt zwaar op beiden.
Op degene die getroffen werd door ongeluk.
En op degene die het op zich neemt de ander bij te staan.
Dit heeft de kunstenaar als de kern van het verhaal gezien, en vervolgens verbeeld.
In 2009 werd een korte documentaire over Piet Esser gemaakt met de titel:
Verbeelden van het zien.
Alles ontspringt, volgens de kunstenaar, aan de verwondering en verbazing – aan het zien.

2.
Zien is ook een van de kernwoorden in het verhaal.
Er valt des te meer nadruk op nu we het Luthers leesrooster volgen dat de lezing laat beginnen met Jezus’ woorden tot de discipelen:
“Gelukkig de ogen die zien wat jullie zien!”
Niet iedereen ziet blijkbaar wat de leerlingen zien.
Maar wat zien zij dan?
En wat is het waarnaar koningen en profeten volgens Jezus verlangd hebben om het te zien met eigen ogen?
Wie heel hoofdstuk 10 uit het Lucasevangelie leest, ontdekt dat het gaat om het om het zichtbaar worden van Gods koninkrijk in deze wereld.
Waar zien we in ons leven de eeuwigheid doorbreken?

3.
Ik denk dat we de vraag van de wetgeleerde op dezelfde wijze moeten verstaan.
Jezus wordt door hem uitgedaagd en getest op het gehalte van zijn kennis en vertrouwdheid met de Schriften.
Daarom legt hij hem een vraag voor.
“Wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?”
Ik denk niet dat de wetgeleerde Jezus met deze woorden vraagt wat hij moet doen om in hemel te komen.
Nee, hij vraagt naar leven met kwaliteit, eeuwigheidskwaliteit.
Eeuwig leven is niet allereerst leven tot in het oneindige.
Eeuwigheidsleven is: leven in verbondenheid met de Eeuwige.
Is de weg gaan die de Thora wijst.
Maar zou de wetgeleerde, kenner van de Thora bij uitstek, dat niet al weten?

4.
Jezus neemt de uitdaging aan door een tegenvraag te stellen.
Hij laat de wetgeleerde zijn vraag zelf beantwoorden door naar de Thora te verwijzen.
Wat staat er in de Wet geschreven? Wat leest u daar? of: Hoe leest u?
En de wetgeleerde antwoordt zoals van hem verwacht mag worden.
Hij citeert op vrije wijze uit de Schriften:
Heb dan lief, de Heer je God met heel je hart, uit heel je ziel, uit heel je verstand
en uit heel je vermogen.
Hij voegt er een fragment uit Leviticus 19 aan toe:
en je naaste als jezelf.
Want de liefde tot God is onbestaanbaar zonder de liefde tot de naaste.
Dat is de kernboodschap van Mozes en de profeten, van de hele Bijbel.
“Waarom voedt uw God, die de God van de armen is, de armen niet?” vroeg een Romein aan rabbi Akiba.
“Om ons aan de verdoemenis te laten ontkomen”, luidde diens antwoord.
Krasser kan bijna niet worden uitgedrukt hoe we in de daadwerkelijke inzet voor anderen verbonden zijn met God.

6.
Doe dit en je zult leven, antwoordt Jezus de wetgeleerde.
Maar de ander neemt met dit antwoord geen genoegen.
Hij stelt opnieuw een vraag.
Niet de vraag: Wie is God?
Dat zou ook een interessant gesprek kunnen opleveren.
Maar wel de vraag: Wie is mijn naaste?
Misschien zijn we geneigd ons van de wetgeleerde te distantiëren, vanuit een bepaalde vooringenomenheid.
Maar de vraag die hij Jezus voorlegt, lijkt als twee druppels water op kwesties
die ons bijna dagelijks bezighouden.
Tot hoever strekt zich onze betrokkenheid en daadwerkelijke solidariteit zich uit?
Reikt die verder dan familie, vrienden, de leden van de eigen kerkelijke gemeente?
Geldt die alleen de mensen die hun eigen bestaan min of meer op orde hebben of
degenen die er een verstandige en gezonde levensstijl op na houden?
Geldt die uitsluitend de “gewone” Nederlanders?
Mensen die binnen de grenzen van Europa leven?
Voor wie is ons zorgstelsel bedoeld?
Tot hoever kun je gaan in het opvangen van vluchtelingen en vreemdelingen?
Hoe groot is ons hart en en ons verstand, hoe groot is ons vermogen, voor wie openen we onze deuren en onze portemonnee?
Je naaste – is dat iedereen op deze wereld?
Wie hoort er bij? Waar trekken we grenzen?
We kunnen toch niet de hele wereld op onze nek nemen?
De vraag van de wetgeleerde is actueel en herkenbaar.
Maar toch: zou die vraag van hem – en van ons – niet tegelijk een poging kunnen zijn om uit te komen onder de klem van het gebod?

7.
Jezus komt de ander tegemoet door een nieuwe invalshoek te kiezen.
Hij begint een parabel te vertellen.
Over een mens, een zeker mens, die op de lange, gevaarlijke woestijnweg van Jeruzalem naar Jericho slachtoffer wordt van rovers, die hem halfdood en naakt laten liggen; zijn geschonden gestalte een grote schreeuw om hulp.
Drie mensen passeren.
De eerste twee, de priester en leviet, passeren aan de overzij.
Of ze het doen uit angst om zelf het volgende slachtoffer te worden of uit eerbiediging van de reinheidswetten van de tempelliturgie – we weten het niet.
Hun overwegingen spelen in het verhaal geen rol.
Alleen het feit dat ze zagen – en voorbijgingen.
De wending treedt op bij de derde, de vreemdeling met de afwijkende religieuze overtuiging.
Ook hij ziet.
Maar hij ziet blijkbaar met andere ogen.
Hij hoort blijkbaar met andere oren.
Hij laat zich uit zijn baan brengen door de roep om barmhartigheid die tot hem komt.

8.
Precies in het hart van Jezus’ verhaal wordt het sleutelwoord genoemd:
hij werd met ontferming bewogen.
In de Nieuwe Vertaling is dat wat slapjes vertaald met:
en hij kreeg medelijden met hem.
De Samaritaan wordt geraakt.
Hij laat de gesloten cirkel van zijn eigen leven openbreken door een mens in nood.
Hij kan zich niet aan dit appel onttrekken.
Hij gaat er onvoorwaardelijk op in.
Hij neemt de verantwoordelijkheid voor de ander op zich.
De beeldhouwer Esser heeft dat gezien en verbeeld.
D ragen en gedragen worden.

9.
Je zou verwacht hebben dat Jezus de wetgeleerde vervolgens op weg stuurt met de woorden: Ga heen en doe net als deze Samaritaan.
Dat zegt Jezus ook, maar niet direct.
Hij stelt eerst een tegenvraag aan de Schriftgeleerde.
Die tegenvraag is een omkering van de kwestie waaraan de gelijkenis ontvonkte.
De wetgeleerde legde aan Jezus voor:
Wie is de medemens die het adres van mijn liefdevolle aandacht dient te zijn?
Maar Jezus vraagt na de parabel niet:
“Wie van de drie heeft in dit slachtoffer langs de weg zijn naaste herkend?”
Hij vraagt, opmerkelijk genoeg, iets anders:
“Wie van de drie is volgens jou de naaste geworden van de man die in handen van rovers viel?”
De Schriftgeleerde had gevraagd naar het object van de liefde.
Jezus vraagt hem naar het subject van de liefde.
10.
De omkering door Jezus doet ons beseffen dat we van te voren helemaal niet kunnen vast stellen wie onze naasten zijn.
Naaste is geen etiket dat wij op die mensen kunnen plakken, nadat wij hebben vastgesteld of zij aan de kwaliteitseisen voldoen om door ons geholpen te kunnen worden.
Als we zelf uitkiezen voor wie het gebod van de liefde geldt, stellen we ons boven die ander en verwordt naastenliefde tot liefdadigheid.
Toen ik eindexamen deed was een van de onderwerpen voor het opstel Nederlands een Chinese uitdrukking, die deze onterechte superioriteit en opgelegde afhankelijkheid fijntjes aan de orde stelt:
Waarom haat je mij? Ik heb je toch niet geholpen?
Jezus verandert het perspectief, hij wil ons op een andere manier doen zien.
Niet langer ikzelf ben het middelpunt van mijn wereld.
Niet ik vraag, als subject, naar de objecten die mijn liefde waard zijn.
Maar het omgekeerde gebeurt.
Ik word bewogen door de roep om barmhartigheid die tot mij komt, die mij overkomt.
En door die bewogenheid laat ik mij uit mijn eigen koers brengen en krijgt de ander een plek in het centrum van mijn leven.
De beslissende vraag is dus niet: Wie is mijn naaste?
Maar: voor wie word ik de naaste, waar hoor ik de roep om ontferming als een appel
waaraan ik mij niet kan onttrekken?
Dietrich Bonhoeffer schreef: “naaste te zijn is niet een kwalificatie van de ander, maar is zijn aanspraak op mij, verder niets. In elk ogenblik, in elke situatie ben ik degene die geroepen wordt tot handelen, tot gehoorzaamheid. (…)Wat gehoorzaamheid is leer ik alleen in de gehoorzaamheid, niet door te vragen. Pas in de gehoorzaamheid leer ik de waarheid kennen.”

11.
“Wie van de drie is de naaste geworden van het slachtoffer van de rovers?”
De wetgeleerde geeft Jezus antwoord: die hem barmhartigheid heeft bewezen.
Hij krijgt, ironisch genoeg, het woord Samaritaan niet over zijn lippen.
Maar tegelijk wordt duidelijk dat hij in alle scherpte heeft begrepen waar het om gaat.
Hij die barmhartigheid bewijst – dat is de hele Schrift door een aanduiding van de God van Israël.
De Samaritaan spiegelt met zijn barmhartig handelen de Eeuwige zelf, die niuets anders doet dan barmhartigheid bewijzen.
Vandaag hoorden we dat doorklinken in de gloedvolle woorden van Jesaja.
De HEER gaat niet aan de ellende van zijn volk voorbij, hij wordt geraakt door de tranen van zijn mensen en laat zich in beweging brengen: “Nu zal ik opstaan”.
God liefhebben met alles wat wij zijn wordt werkelijkheid waar wij zelf, in navolging van de Eeuwige, andere mensen tot naaste worden en hun barmhartigheid bewijzen.
Ga heen en doe voortaan net zo, zegt Jezus dan ook kort en krachtig.

12.
Zou de wetgeleerde hebben beseft met wie hij in dit gesprek werd geconfronteerd?
Zou hij de gelijkenis hebben verstaan als een gebod van degene die ook zijn allernaaste is geworden?
Want wie anders dan Jezus zelf is de gestalte bij uitstek van Gods liefde en barmhartigheid?
Het is een eeuwenoude uitlegtraditie: Jezus als de Samaritaan, als de vreemdeling e die mensen nabijkomt tot in de diepste godverlatenheid.
Dat is ook de ontdekking die Paulus deed op weg naar Damascus.
En daarom schrijft hij in zijn brief aan de Galaten op een totaal nieuwe manier over de betekenis van de wet.
De wet heeft niet afgedaan.
Maar voorop staat de belofte die God al aan Abraham heeft gedaan en die tot vervulling is gekomen in het leven van Jezus.
In hem zien we het koninkrijk doorbreken: leven in verbondenheid met God en met de naaste.
En overal waar de roep om ontferming klinkt en wij met ons leben daaraan gehoor geven gebeurt het opnieuw: daar wordt God werkelijkheid, daar licht het koninkrijk op in ons midden.
In dragen en gedragen worden hebben we deel aan Christus’ bestaan, aan de liefde zelf.

13.
In een bekend gedicht dat is opgedragen aan de Zusters van Liefde te Weert schreef Gerard Reve:

Zuster Immaculata die al vier en dertig jaar
verlamde oude mensen wast, in bed verschoont,
en eten voert,
zal nooit haar naam vermeld zien.
Maar elke ongewassen aap die met een bord: dat hij
vóór dit, of tegen dat is, het verkeer verspert,
ziet ’s avonds reeds zijn smoel op de teevee.
Toch goed dat er een God is.

Het gedicht kan mensen gemakkelijk op het verkeerde been zetten.
Alsof christelijk geloof vooral van belang is, omdat het aanzet tot grote morele prestaties.
Maar het geloof leert ons allereerst een andere manier van zien.
Ik lees tenslotte de woorden van de theoloog Erik Borgman bij dit gedicht van Reve:
“Zuster Immaculata kon doen wat zij deed, zij kon haar verlamde oude mensen wassen, in bed verschonen en eten voeren, omdat zij dat niet alleen maar zag als zelfopoffering, met hopelijk een hemelse beloning na haar dood. Zij geloofde dat God altijd al bij haar was, omdat God bij degenen was die zij waste. God had haar geroepen te doen wat zij deed en riep haar in hen steeds opnieuw. Niet zij bracht Gods barmhartigheid bij mensen, dat besefte zij heel goed. Door te doen wat zij deed, deelde zij in Gods barmhartigheid, woonde zij samen met degenen die zij verzorgde in Gods liefde die zijzelf nodig had om te leven en kon zij deze barmhartigheid belichamen voor degenen die deze nodig hebben. Zij waste geen mensen omdat het de haar opgedragen plicht was. Zij waste mensen omdat zij zo zelf bij God was en omdat zij alleen in de ruimte van God kon leven.”
Amen.

OM TE BEGINNEN

Orgelspel
Woord van welkom door de ouderling van dienst
De twee tafelkaarsen worden aangestoken
Moment van stilte
Openingslied of eerste psalm LB 612 (allen staan)

Groet en bemoediging
v De Eeuwige zal bij je zijn!
g De Eeuwige zal je bewaren!
v Onze hulp is de naam van de ENE
g die hemel en aarde gemaakt heeft
v die trouw blijft tot in eeuwigheid
g en niet loslaat het werk van zijn handen.

Gezongen drempelgebed LB 277 (hierna gaan allen zitten)

Gebed om ontferming en gezongen kyrie LB 301a

God,
Zo veel is er dat ons onrustig maakt en in beslag neemt:
onze eigen zorgen,
het verdriet van anderen,
alle lijden en onrecht, ver weg en dichtbij:
we zien de beelden
van mensen die het slachtoffer zijn geworden
van natuurgeweld en overstromingen
op allerlei plekken ter wereld

God, om alle wanhoop en tranen
doen wij een beroep op U:
uw hart is toch zo wijd als de wereld:
zie in ontferming om naar de aarde,
zie uw mensen,
zie ons, zoals wij hier bijeen zijn

Zo bidden en zingen wij:

Glorialied LB 984 vers 1,4,5,6
RONDOM HET WOORD

Gebed van de zondag

Luisterend, zingend en biddend
worden wij hier herinnerd
aan de bestemming van ons bestaan.
We laten ons raken
door de stem van de stilte,
door de aloude woorden
die geschreven staan,
door het geheim van U zelf.
Want waar twee of drie of meer in uw naam
geloof delen, hoop koesteren, liefde schenken,
elkaars zwakte dragen, elkaar kracht geven,
daar zijt Gij in hun midden als bron van leven.
Wees er zo ook voor ons, ook nu.
Amen.

De kinderen gaan naar de kindernevendienst

Oudtestamentische lezing Jesaja 33, 2-10 (Geartsje)
Lied LB 74 vers 10, 11, 12

Epistellezing Galaten 3, 16-24 (Geartsje)
Lied LB 827

Evangelielezing Lucas 10, 23-37 (Marga)
Gezongen acclamatie LB 339f

Overweging (zoz)
Orgelspel
Lied LB 992
De kinderen komen terug uit de kindernevendienst
Lied LB 806

GEBEDEN EN GAVEN

Voorbeden met gezongen acclamatie LB 369j

God,
uw barmhartigheid ontregelt onze vooropgezette ideeën,
ideologieën en systemen.
Dat wij uw liefde durven ontvangen en uitdelen,
kwetsbaar en vrijmoedig zoals Jezus deed,
de mens voor anderen
Zo bidden en zingen wij:

Wij bidden
voor de bewoners van Sint Maarten
die het slachtoffer zijn geworden
van natuurgeweld en plundering;

voor de mensen in Zuid Azie
die geteisterd worden door de moessonregens,

voor hen die moeten leven
te midden van aanslagen en oorlogen
angst en onzekerheid

voor mensen zonder papieren,
vluchtelingen die als burger en mens niet bestaan,
omdat ze niet geregistreerd zijn.

God, dat wij onze ogen voor hen niet sluiten
maar doen wat in ons vermogen ligt.
Zo bidden en zingen wij:

Wij bidden U, God
dat wij durven geloven
dat uw liefde de grond is van heel ons bestaan,
dat wij daar iets van herkennen
in elk gebaar van barmhartigheid,
in elk nieuw begin dat mensen met elkaar maken.
Zo bidden en zingen wij:

Uit het voorbedeboek:

In de stilte…

Onze Vader…

Diaconale mededelingen en inzameling

ZENDING EN ZEGENING

Slotlied LB 321 (allen staan)

Zending en zegen

Laten wij gaan
gezegend door de Eeuwige
in wiens naam wij elkaar mogen zegenen
door woorden en daden die helen en verbinden:

De Levende zegene en behoede u
de Levenvende doe zijn Aangezicht over u lichten en zij u genadig
de Levende verheffe zijn aangezicht over u
en geve u vrede.

Amen

Orgelspel