Overweging 20 augustus 2017 (NK)

Zondag 20 augustus 2017 overweging
2 Korintiërs 4, 5-6 en Kolossenzen 1, 12-23

1.
Paulus, zo wordt vaak gezegd, zou de eerste aanzet hebben gegeven tot een christelijke theologie waarin geloven in de zin van “ vertrouwend de weg van Gods geboden gaan in navolging van Jezus” geworden is tot geloven als “het aannemen en onderschrijven van een of meer geloofswaarheden”.
Geloven met Jezus werd tot geloven in Jezus.
De vertrouwelijke omgang met de Eeuwige in het spoor van Jezus werd tot geloven dat, nl. dat Jezus is opgestaan van de dood, dat hij de Verlosser is, de Zoon van God, die met zijn kruisdood ons met God heeft verzoend.
Ik vraag me af of dit verwijt (want zo is het meestal bedoeld) terecht is.
Maar niet te ontkennen valt de centrale plaats die Jezus als de Gekruisigde en Opgestane in de brieven van Paulus inneemt.

2.
We hoorden als eerste het korte fragment uit 2 Korintiërs 4.
Die woorden bevestigen dat Jezus de inhoud van Paulus’ prediking is en dat de apostel ons Jezus voorhoudt als het hart van het geloof.
“Wij verkondigen niet onszelf, wij verkondigen dat Jezus de Heer is en dat wij omwille van hem uw dienaren zijn.”
In aansluiting aan vorige week zondag wil ik onderstrepen, dat deze uitspraak
over het Heer zijn van Jezus in de maatschappelijke context van Paulus geen vrijblijvende uiting van vroomheid was die verder tot niets verplichtte.
Deze belijdenis geeft stem aan “een aanspraak op een eigenaarschap die alle andere terzijde schuift” ( Rowan Williams, p. 48).
Jezus is de Heer.
Dat betekent dat ik een vrij mens ben, door God aanvaard en bemind, en dat ik aan niets en niemand onderworpen ben dan aan Jezus Christus.
Dat is een ondermijning van de positie van al die mensen en machten die menen aanspraak op mij te kunnen maken, alsof hun wil hetzelfde zou zijn als de wil van God.
Maar het Heer zijn van Jezus houdt tegelijkertijd in dat ik “dienaar” ben.
Want ook mijn naaste is een mens die door God is verwelkomd en aanvaard.
Daarom kan ik niet anders dan hem en haar tegemoet treden met eerbied en met een liefde, die bereid is tot dienen en delen.

3.
Vanmorgen wil ik graag bij het vervolg stilstaan.
“ De God die heeft gezegd: ‘Uit de duisternis zal licht schijnen’, heeft in ons hart het licht doen schijnen om ons te verlichten met de kennis van zijn luister, die afstraalt van het gezicht van Jezus Christus.”
Opmerkelijke woorden.
Paulus herinnert de Korintiërs – en met hen ook ons – opnieuw aan zijn ervaring op weg naar Damascus.
Terwijl hij op het punt stond een groep volgelingen van Jezus te arresteren en terug te brengen naar Jeruzalem om hen daar hun straf te laten ondergaan, werd hij geraakt, aangestoten door het licht – zo stralend, zo intens dat hij uit het zadel werd geworpen en beslissend in zijn levensgang werd onderbroken.
Dat licht heeft voor Paulus de kwaliteit van het licht van de eerste scheppingsdag.
“God zei: ‘Er moet licht komen’, en er was licht” (Gen 1:3) lezen we op de eerste bladzijde van de Bijbel.
Daarmee begint het verhaal van God en mensen: dat God uit het duister het licht tevoorschijn roept.
En volgens diezelfde Bijbel is dit het toekomstperspectief, waar wij mensen verlangend naar uitzien: dat er tenslotte niets anders meer zal zijn dan licht.
Op een van de laatste bladzijden van de Bijbel lezen we: “De stad heeft het licht van de zon en de maan niet nodig: over haar schijnt Gods luister, en het lam is haar licht” (Openbaring 21,23).
Het zal ons niet moeilijk vallen te begrijpen, dat mensen op deze manier hun diepste verlangen hebben uitgedrukt, nl. als een droom van licht – juist waar de duisternis zich samentrekt, waar de angst voor het donker de kop opsteekt en steden van licht en steen dreigen te veranderen in plaatsen van dood en terreur.
De namen rijgen zich aaneen, tot en met Charlotsville en Barcelona.

4.
Wat God deed van den beginne, blijft God doen.
Uit de duisternis het licht te voor schijn roepen.
Omdat Hijzelf licht is.
De Bijbelse getuigenissen spreken van Gods luister; van de heerlijkheid en glorie van de Eeuwige; van een aanwezigheid zo heilig en hevig, dat een mens die niet kan verdragen, maar erdoor ter aarde wordt geworpen.
Dat is, aldus Paulus, wat hijzelf heeft ervaren op weg naar Damascus.

5.
Maar daarmee zijn we nog niet bij de kern van dit fragment.
Want Paulus gaat nog een stapje verder.
Hij verbindt die stralende luister van God met een stem en een gezicht.
Het scheppingslicht van den beginne, de luister van God zelf nemen de gestalte aan van een mens die op wrede wijze is terechtgesteld.
“Saul, Saul, waarom vervolg je mij?”
Woorden uit de Schrift, uit de geschiedenis van de vervolging van David door koning Saul.
Daar klinkt uit Davids mond diezelfde vraag.
Paulus wordt er, onverwacht, door getroffen en uit zijn baan gebracht.
“Wie bent u?” antwoordt hij.
“Ik ben Jezus, die jij vervolgt.”
Zo komt de messias plotseling het leven van Paulus binnen: als de ter dood veroordeelde en gekruisigde, die in alles verbonden is met degenen die net als hijzelf de sporen van vervolging en onderdrukking met zich meedragen.

6.
Sinds Damascus probeert Paulus die twee in hun beslissende samenhang onder woorden te brengen: het licht van God en het donker van het lijden.
Hoeveel moeite wij er ook mee hebben om de betekenis van het kruis te zien en te verwoorden ( ook en juist in relatie tot het lijden waarmee we vandaag worden geconfronteerd), wij kunnen ons Jezus niet denken zonder Golgotha.
Maar voor Paulus gold veeleer het omgekeerde.
Hoe kan de Messias verbonden zijn met lijden en sterven?
Jezus stierf een slavendood – wreed, vernederend, mensonwaardig.
Hij stierf bovendien op een manier die hem volgens de Joodse wet tot een vervloekte maakte.
Jezus’ levenseinde is dat van een misdadiger, een geëxecuteerde crimineel die in zijn lijden het toonbeeld is van de ultieme vijandigheid en vervreemding jegens God.
Maar Paulus kan er niet onder uit: juist hier, in deze geschonden en verworpen mens, heeft Gods stem tot hem gesproken.

7.
Zo is voor Paulus Jezus degene geworden die aan de ene kant de intensiteit van Gods luister draagt.
Zijn gezicht weerkaatst de glans van Gods glorie.
Of, zoals Paulus ook kan zeggen: Jezus is de icoon van God, we zien in Jezus Gods beeld.
En tegelijkertijd is Jezus voor Paulus degene die present stelt al wat van God is verlaten en vervreemd, al wie in Joodse en niet-Joodse ogen het meest verachtelijk is.
Het zijn scherpe tegenstellingen, die Paulus in zijn geloven en denken alleen bijeen kan houden door het kruis centraal te stellen.

8.
Naast de tweede Korintiërsbrief lazen we een gedeelte uit Kolossenzen.
Het grootste gedeelte daarvan was een lied tot God en tot Jezus.
“Beeld van de onzichtbare God is hij; eerstgeborene van heel de schepping; hoofd van het lichaam, de kerk; eerstgeborene van de doden”.
Grote woorden, die zich juist daarom misschien beter laten zingen dan zeggen.
Paulus of een naaste medewerker en leerling van Paulus citeert deze hymne
om te onderstrepen dat niet alleen het menselijk bestaan, maar het leven van de hele kosmos zin en betekenis ontvangen door Jezus.
Dat komt omdat Jezus het gezicht van God is dat zich toewendt naar alles wat niet God is.
Dat komt , omdat hij ons een God onthult die uit de verborgenheid naar buiten treedt om zich met de wereld te verbinden – door te scheppen, door te vergeven en te verzoenen, door te verwelkomen en te aanvaarden.
Hij, de Gekruisigde en Opgestane, is het alles bepalende midden van heel het universum.
Jezus is geen ‘noodmaatregel’, niet iemand die pas ten tonele verschijnt nadat de wereld in de greep is geraakt van duisternis en dood, om vervolgens met zijn woorden en daden alles en iedereen weer in de goede richting te krijgen.
Nee, hij is, juist als degene die in zijn lichaam de wonden van het lijden met zich meedraagt, de belichaming van Gods universele welkom, van de liefde die de oorsprong, de grond en de bestemming is van de hele wereld.

9.
De kerk heeft vanaf het begin niet alleen de opstanding gevierd, maar ook de gedachtenis aan het kruis vastgehouden als het kostbaarste wat ze had door te geven.
Die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle, ten derde dage opgestaan uit de doden…
klinkt het in het midden van het belijden.
De kerk heeft zich er altijd rekenschap van gegeven wat dat donkere midden in het verhaal betekent.
Dat heeft zijn neerslag gekregen in allerlei voorstellingen en beelden, ontleend aan Paulus, de evangelisten, de profeten en de psalmen: het offerlam, de zondebok, de lijdende knecht, de prijs voor onze loskoping uit de slavernij, de ene in onze plaats.
In onze tijd zijn er weer andere woorden die de betekenis van Jezus, zijn leven, lijden en opstanding proberen aan te duiden – zoals ‘de Gekruisigde temidden van de kruisdragers’ en ‘e gewonde genezer’.
Maar bij al onze pogingen om licht en donker, heil en kruis samen te denken stuiten we op een grens.
Er blijft een geheim dat we niet in begrippen en woorden kunnen bevatten.

10.
Ik citeer tenslotte professor Jan Bakker, mijn leermeester dogmatiek, die ooit voor het Ouderlingenblad een serie meditaties schreef over de Apostolische Geloofs-belijdenis:
“Het allereerste en het allerlaatste, wat wij ervan kunnen zeggen is, dat sinds Golgotha het licht van God en dit donker voor altijd bij elkaar horen. Dat wij geen andere God meer kennen, dan wie dit donker is binnengegaan om zo God-met-ons te zijn. En dat wij ook van het licht aan het begin en aan het einde enkel weet hebben doordat uit het donker van Golgotha het licht is gaan schijnen in onze wereld. Daar heeft God opnieuw gesproken: ‘daar zij licht’. En daarom schreef Johannes over de Stad die komt: ’want de luister van God verlicht haar en haar lamp is het Lam’.”
(J.T. Bakker, Geloven vragenderwijs, p. 60).
Zo moge het zijn.